Vergelijk uw Vermogensbeheerder in de Telegraaf (1 december 2012)

Beter zicht op risico bij vermogensbeheer

Beleggers die weinig kunnen of willen verliezen, vragen om een defensief beleggingsprofiel. De kans dat ze veel verliezen lijkt dan klein. Maar wat is veel? En hoe hoog is die kleine kans op een glijbaan omlaag? Dat verschilt per vermogensbeheerder. Dat kan vooral defensieve beleggers een nare kater bezorgen. Experts pleiten voor meer duidelijkheid over het risico binnen het beleggingsprofiel. „Enkel de indeling in defensief, neutraal en offensief zet veel beleggers op het verkeerde been”, aldus Evert Oosterhuis van fondssupermarkt en vermogensbeheerder Fundix.

Bekijk hier het originele krantenartikel van de Telegraaf – Beter zicht op risico bij vermogensbeheer

Ontdek in 10 Simpele Stappen Hoe Je Een Goede Vermogensbeheerder Selecteert

Leer in een aantal stappen, hoe je kunt voorkomen dat je in de valkuilen stapt in het doolhof van vermogensbeheer.

Een eye-opener. Na het lezen van dit digitale boek kwam ik erachter dat je vooraf al een hoop dingen te weten kunt komen en dat de markt minder transparant is als je denkt.
-  Bernard

e kern van het probleem is volgens Oosterhuis dat banken en andere vermogensbeheerders elk wat anders bedoelen met defensief, neutraal of offensief. Soms komen zelfs de termen niet overeen, ’behoudend’ wordt bijvoorbeeld naast ’defensief’gebruikt.

Beleggers hebben hierdoor eigenlijk veel te weinig inzicht in de echte risico’s die ze lopen. Een slechte zaak, zeker als je bedenkt dat risico al nauwelijks op de radar van beleggers staat, aldus Oosterhuis. „Beleggers die denken dat ze defensief of neutraal beleggen, kunnen soms best hoge risico’s lopen.”

Oosterhuis maakt de vergelijking met de snelheid van een auto. Hoe sneller, des te risicovoller. „Stel de ene vermogensbeheerder rijdt in het profiel defensief tussen de 40 en 60 km per uur, maar de ander drukt het gaspedaal in tot 100. Beide risicoprofielen heten defensief, maar veel beleggers zullen zich bij die 100 km per uur niet prettig voelen.” Dit kan leiden tot onverwachte resultaten en conflicten met teleurgestelde beleggers, die soms tot aan de rechter worden uitgevochten.

De vrije risico-indeling maakt het bovendien lastig om beheerders en banken langs de meetlat te leggen. Dat gebeurt doorgaans door de resultaten van offensieve, neutrale en defensieve portefeuilles te vergelijken. Dat lijkt eerlijk omdat beheerders dan soortgelijke risico’s zouden hebben genomen om het resultaat te bereiken. Oosterhuis noemt dit laatste een misvatting. „Je ziet dat sommige vermogensbeheerders in een opgaande aandelenmarkt voor de verleiding bezwijken om meer in aandelen te beleggen. Ze verhogen dus stilletjes het risico, om tot hogere resultaten te komen. In een negatieve aandelenmarkt doen ze het omgekeerde.”

Eind 2009 heeft toezichthouder AFM geprobeerd om de geesten rijp te maken voor een meer gedifferentieerde risico-indeling (van risicoklasse A tot en met F), maar deze is niet aangeslagen. Oosterhuis pleit ervoor dat de AFM op dit dossier weer in actie komt. Niet zozeer door meer beleggingsprofielen in te voeren, al zou dat al helpen, maar om veel duidelijker het risico van elk beleggingsprofiel vast te stellen. „Dat kan eenvoudig door middel van een risicovignet.”

Meetlat

Maurice Flinterman, adviseur bij VergelijkUwVermogensbeheerder, bevestigt dat profielen als defensief of neutraal beleggers te weinig informatie geven. De vermogensbeheercoach komt grote verschillen tegen als hij vermogensbeheerders langs de meetlat legt. „Je moet vooral onder de motorkap kijken, naar de onderliggende waarden van een beleggingsprofiel.”

Een kleine steekproef betreffende neutrale portefeuilles legt dan al grote verschillen bloot. Flinterman: „Eén vermogensbeheerder belegt dan ongeacht het klimaat altijd voor 50% in aandelen, over liquiditeiten wordt niet eens gesproken. Een andere partij kan het belang in aandelen laten dalen tot 35% en een ander weer tot 0%. In slechte beursjaren als 2008 en 2011 zie je dit duidelijk terug in de resultaten van deze portefeuilles.”

Dat betekent dus dat de ene belegger een crisis beter doorkomt dan de ander, hoewel ze allebei neutraal (denken te) beleggen. Puur omdat de vermogensbeheerders een heel andere opvatting van ’neutraal’ hebben. Flinterman: „Uit eigen beleggersonderzoek blijkt dat de meeste beleggers in een neutraal profiel zitten. Het gros is van mening dat de portefeuille dan met hoogstens 15% mag dalen.” Die verwachting komt dus mogelijk niet altijd uit.

Stap Extra

Flinterman staat niet negatief tegenover een uitgebreidere risico-indeling, met bijvoorbeeld ook termen als gematigd offensief of gematigd defensief, maar wil net als Oosterhuis dat er een stap verder wordt gezet. Flinterman: „Veel beter is het echter om inzicht te krijgen in de onderliggende waarden. Bijvoorbeeld de verdeling over de diverse beleggingscategorieën.” Volgens Flinterman zitten daar de grote verschillen in rendement.

Beide experts zien weinig in beleggingsprofielen met bandbreedtes op basis van de rendementen. Bijvoorbeeld dat een neutrale portefeuille hooguit 15% kan dalen en niet meer dan 20% stijgt. „Wat je echter wilt weten is de kans dat het resultaat onder die 15% uitkomt”, stelt Flinterman. Die kans is weliswaar klein, doorgaans enkele procenten, maar tijdens een crisis kunnen de koersen extreme uitslagen maken.

„Beleggers willen weten wat de waardedaling van hun portefeuille is in zo’n worst case scenario. Dat is toch echt afhankelijk van de onderliggende waarden. Het maakt nogal uit of het obligatiebelang bestaat uit staatsobligaties of high yield obligaties.”

Bron: De Telegraaf, door Manno van den Berg